ETF-liquiditeit: waarom handelsvolume niet alles zegt

Een ETF wordt niet alleen verhandeld tussen beleggers die elkaar op de beurs vinden. Achter de beursnotering zit een tweede laag waarin zogenoemde authorized participants grote pakketten ETF-aandelen kunnen creëren of inwisselen tegen de onderliggende beleggingen. Die structuur maakt ETF-liquiditeit anders dan de liquiditeit van één gewoon aandeel.

Daarom is een laag dagelijks handelsvolume niet automatisch bewijs dat een ETF moeilijk verhandelbaar is. Het volume op de beurs blijft relevant, maar ook de bied-laatspread, de liquiditeit van de onderliggende beleggingen en de werking van het creation/redemption-proces bepalen hoe gemakkelijk en tegen welke prijs een order kan worden uitgevoerd.

Wat ETF-liquiditeit werkelijk bepaalt

Liquiditeit gaat in de kern over de mogelijkheid om te kopen of verkopen zonder dat een order de prijs onnodig sterk beïnvloedt. Bij een ETF speelt dat op twee niveaus. Particuliere beleggers handelen op de secundaire markt, dus via de beurs. Daarnaast bestaat de primaire markt, waar authorized participants rechtstreeks grote blokken ETF-aandelen met het fonds kunnen creëren of inwisselen.

Die tweede laag is belangrijk. Wanneer vraag en aanbod op de beurs uit balans raken, kunnen professionele partijen onder voorwaarden nieuwe ETF-aandelen creëren of bestaande aandelen inwisselen. Daarmee kan de beschikbare hoeveelheid ETF-aandelen zich aanpassen aan de markt. De verhandelbaarheid van een ETF is daardoor niet alleen afhankelijk van het aantal stukken dat gisteren of vorige maand op de beurs van eigenaar wisselde.

ETF-liquiditeit en de creation/redemption-structuur

De creation/redemption-structuur verbindt de ETF met de markt voor de onderliggende aandelen, obligaties of andere beleggingen. Een authorized participant kan een voorgeschreven mandje onderliggende effecten aanleveren en daarvoor een groot blok ETF-aandelen ontvangen. Bij redemption gebeurt het omgekeerde.

Dat mechanisme helpt ook om grote afwijkingen tussen de beursprijs van de ETF en de waarde van de onderliggende portefeuille te beperken. Als het prijsverschil groot genoeg wordt om na kosten een arbitragemogelijkheid te bieden, kunnen professionele partijen daarop handelen. Het mechanisme is geen garantie dat de ETF altijd exact tegen de intrinsieke waarde noteert, maar het geeft wel een extra verbinding tussen de ETF-prijs en de onderliggende markt.

De onderliggende beleggingen tellen mee

Een ETF op grote, veel verhandelde aandelen heeft meestal andere liquiditeitskenmerken dan een ETF op minder verhandelbare bedrijfsobligaties of aandelen uit kleine markten. Voor een liquidity provider is het immers belangrijk hoe gemakkelijk de onderliggende posities kunnen worden gekocht, verkocht of afgedekt.

CFA Institute noemt in zijn uitleg over ETF-mechaniek en handelskosten onder meer de bied-laatspread van de onderliggende effecten, creation/redemption-kosten en hedgingrisico als factoren die de spread van een ETF kunnen beïnvloeden. Dat laat zien waarom alleen het zichtbare handelsvolume van de ETF een onvolledig beeld geeft.

Waarom handelsvolume toch niet onbelangrijk is

Dat dagvolume niet alles zegt, betekent niet dat het genegeerd kan worden. Een ETF met veel continue handel heeft vaak meer directe kopers en verkopers in het orderboek. Daardoor kan de beursmarkt zelf al veel orders opvangen zonder dat de primaire markt hoeft mee te spelen.

Bij gewone aandelen wordt handelsvolume vaak gebruikt om te beoordelen hoeveel activiteit er rond een koersbeweging is. In de uitleg over volume-analyse bij beleggen staat waarom volume context kan geven, maar niet zelfstandig vertelt of een belegging aantrekkelijk is. Bij ETF’s geldt daarbovenop dat het beursvolume slechts één van de relevante liquiditeitslagen zichtbaar maakt.

Voor een kleine particuliere order kan het actuele orderboek voldoende diep zijn. Bij een veel grotere order kan juist de beschikbaarheid en verhandelbaarheid van de onderliggende portefeuille belangrijker worden. De vraag “hoeveel ETF-stukken worden per dag verhandeld?” is daarom nuttig, maar niet voldoende.

De bied-laatspread is directer zichtbaar

Voor een particuliere belegger is de bied-laatspread vaak een praktischere maatstaf dan alleen het dagvolume. De biedprijs is de hoogste prijs die een koper op dat moment wil betalen; de laatprijs is de laagste prijs waarvoor een verkoper wil verkopen. Het verschil is de spread.

Staat een ETF bijvoorbeeld op €100,00 bieden en €100,10 laten, dan bedraagt de spread €0,10 per aandeel. Wie direct koopt tegen de laatprijs en onmiddellijk weer verkoopt tegen de biedprijs, begint in dit vereenvoudigde voorbeeld met dat verschil als handelsnadeel, nog los van eventuele brokerkosten.

De spread kan gedurende de dag veranderen. Bij een ETF met buitenlandse onderliggende beleggingen kan de prijsvorming bijvoorbeeld minder efficiënt zijn wanneer de markt waarop die beleggingen handelen gesloten is. CFA Institute merkt op dat spreads van ETF’s met internationale aandelen doorgaans het krapst zijn wanneer de onderliggende markten open zijn.

Een smalle spread is niet hetzelfde als een garantie op een goede uitvoering, maar geeft wel informatie over de kosten die in de actuele koop- en verkoopprijzen zitten.

Let ook op premie en korting ten opzichte van NAV

Een ETF heeft een intrinsieke waarde per aandeel, doorgaans aangeduid als NAV. De beurskoers kan daar iets boven of onder liggen. Noteert de ETF boven de NAV, dan is sprake van een premie; daaronder van een korting.

Kleine verschillen kunnen normaal zijn, zeker omdat marktprijzen continu veranderen terwijl de officiële NAV niet op ieder moment als actuele handelsprijs fungeert. In onrustige of minder liquide markten kunnen de verschillen groter worden. Bij sommige activaklassen kan bovendien de ETF-prijs sneller nieuwe informatie verwerken dan de laatst beschikbare koersen van de onderliggende beleggingen.

Daarom moet een premie of korting niet automatisch worden gezien als een fout in de ETF. Het is vooral een extra datapunt bij de beoordeling van de uitvoering en de omstandigheden waaronder wordt gehandeld.

Zo beoordeel je ETF-liquiditeit voor een order

Voor een normale particuliere order is het niet nodig om de volledige marktstructuur door te rekenen. Wel is het verstandig om meerdere signalen tegelijk te bekijken. Begin met de actuele bied- en laatprijzen en let op de spread in verhouding tot de ETF-koers. Bekijk vervolgens hoeveel stukken rond die prijzen beschikbaar zijn en hoe groot je eigen order is ten opzichte van het zichtbare orderboek.

Controleer ook wat de ETF bezit. Een breed fonds op grote, liquide aandelen heeft een andere onderliggende markt dan een gespecialiseerd fonds met minder verhandelbare obligaties of kleine aandelen. Bij internationale ETF’s kan het tijdstip van handelen relevant zijn, omdat de onderliggende beurs mogelijk nog gesloten is.

Een limietorder kan helpen om vooraf vast te leggen welke maximale koopprijs of minimale verkoopprijs je accepteert. Daar staat tegenover dat een limietorder niet hoeft te worden uitgevoerd als de markt jouw prijs niet bereikt. Wie alleen op snelheid mikt met een marktorder accepteert meer onzekerheid over de uiteindelijke uitvoeringsprijs, vooral wanneer de spread breed is of het orderboek dun.

Laag volume is dus geen eindconclusie

Een ETF met weinig zichtbaar handelsvolume hoeft niet automatisch illiquide te zijn, terwijl een druk verhandelde ETF ook niet onder alle marktomstandigheden dezelfde spread houdt. ETF-liquiditeit ontstaat uit de combinatie van secundaire handel, de onderliggende markt, market makers en authorized participants.

Het nuttigste controlepunt vóór een order is daarom niet één volumegetal. Kijk tegelijk naar de actuele spread, de omvang van je order, de onderliggende beleggingen en het moment waarop je handelt. Pas in die combinatie zegt liquiditeit iets bruikbaars over de prijs waartegen je waarschijnlijk kunt kopen of verkopen.